Marc Lammers

Na de lunch besloot ik me te laten verassen door Mar Lammers. Een prima voorstelling met veel ‘feel good’ momenten uit zijn verleden als coach van het dames hockeyteam. Een greep uit de opmerkingen die over tafel gingen en ook op ons als sector van toepassing kunnen zijn:

  • Meten is weten, zorg dat je goed weet wat er speelt bij studenten. De cijferlijst die je oplevert komt te laat. Zorg dat je tijdens het onderwijsproces weet wat er speelt en wacht niet tot het eind.
  • Crisis betekent kansen. Al je concurrenten hebben ook last van die crisis. verschuil je er niet achter, maar gebruik de crisis om je te onderscheiden en grijp kansen.
  • Streef naar verandering. Stilstand is achteruitgang. Bij verandering heb je te maken met weerstand. Hoe overwin je die? Leg uit ‘what’s in it for me’,  zorg voor feiten die je verhaal onderbouwen, geef voorbeelden (best practises).
  • Kom uit je comfortzone, heb lef.
  • Durf fouten te maken, misschien sla je een paar keer de plank mis, maar als je slaagt geeft dat een enorme stimulans en trots. trots en waardering geeft je uitstraling en uitstraling is gratis reclame voor je school.
  • Denk niet dat je alles weet, deel kennis en luister naar anderen.
  • En tot slot: stuur op kracht, stimuleer mensen waar ze goed in zijn in plaats van te zoeken naar minpunten en die keihard te trainen. Als docenten zich gewaardeerd weten om waar ze goed in zijn, willen ze zich vanzelf verbeteren en werken aan hun minder sterke punten.
Al met al een onderhoudend verhaal met tips.

The dark side of BYOD ROC West Brabant

Vol verwachting en nieuwsgierig naar wat we zelf bij ons ROC hadden gemist op dit gebied toog ik met vele anderen naar deze workshop.
Na een introductie op het onderwerp
  • is ’t een hype
  • wat is de relatie met onderwijs
  • hoe manage je een succesvolle implementatie van BYOD
werden behoorlijk wat vragen opgeworpen. 

Ook de kant van de ouders en enkele juridische zaken passeerden de revue. Op zoek naar de dark side, werd opgeworpen dat met name de professionalisering van de medewerkers en het goed inpassen in het onderwijs de grote uitdaging is. BYOD is natuurlijk geen doelstelling op zich, het gaat in essentie over de verbetering van de onderwijskwaliteit. Net als anderen wordt daar mee geworsteld op het ROC. Op één van de scholen is voortgang en dit wordt gebruikt als voorbeeld voor de anderen. HET antwoord is er nog niet, maar vanuit de zaal werden handvatten geboden. Met name A12 heeft een uitgebreid en zorgvuldig traject gelopen met de teams om de implementatie van BYOD goed vorm te geven. 
Tot slot ontspon zich een discussie rond het thema; wat is hierin de rol van de student. Moet die in de lead zijn? Een open vraag met vele open antwoorden.

Het innovatienetwerk, ROC West Brabant

Vijf jaar geleden is de afdeling onderwijs en innovatie van het ROC opgeheven en opgegaan in ‘het innovatienetwerk’. De gedachte is dat innovaties zoveel mogelijk vanuit de scholen en teams zelf moet komen. Gezien de grote van het Roc was het stimuleren van innovaties vanuit een centrale dienst niet te behappen.
Wat doet het innovatienetwerk?
Het werk is gebaseerd op 5 pijlers.

  1. Beleidsadvisering
  2. Inspiratiebijeenkomsten op de scholen
  3. Het bijhouden van de internet community
  4. De inspiratie ruimte en het ‘lab to learn’, beide gevestigd bij IT-workz
  5. Experimenten en projecten
Het netwerk richt zich niet op de voorlopers, maar probeert juist de brede groep docenten te bereiken. Daarbij gelden een aantal do’s en dont’s.
  • maak de gebruiker de eigenaar
  • stimuleer en faciliteer
  • help bij nieuwe dingen, neem niet automatisch aan dat competenties aanwezig zijn
  • ga niet theoretiseren
  • speel niet voor ANWB (wij lossen het op)
  • deel geen geld uit
  • leer mensen af bescheiden te zijn

Enkele voorbeelden van het werk van het innovatienetwerk zijn:

  1. een twee jaarlijkse ROC brede scholingsdag
  2. stimmit
  3. de zorgboulevard in Roosendaal
  4. de fablabs 
  5. werken met instructables 
Het succes wordt afgemeten aan het aantal innovaties dat gerealiseerd is. De doelstelling was bij oprichting twee tot drie innovaties per jaar. Het zijn er ondertussen ongeveer 50.
De toekomst van het netwerk zou moeten zijn dat ze zich voor een groot deel opheffen en dat de innovaties van en door de scholen zelf gerealiseerd worden. Tot die tijd is het netwerk een open netwerk voor het ROC, maar ook voor buitenstaanders.

Tot slot werd gevraagd naar ‘de roze olifant’. Pieter geeft zonder aarzelen aan dat het dan moet gaan over informeel leren. Alles wat buiten de school geleerd wordt, is onvoldoende gewaardeerd. Een wijze les, die waarschijnlijk voor vele van ons geldt.

De bedoeling wordt concreet!

De tweede dag CVI zit er op. Met een goed gevoel kijk ik terug op de CVI Managementconferentie, op het gezelschap waar ik deel van uit mocht maken en op het verblijf in de landelijke maar ook innovatieve Achterhoek. Gisteren zag en hoorde ik veel verhalen over de kern van het MBO-onderwijs: de bedoeling. Vandaag lieten ROC’s me zien hoe ze de bedoeling van hun onderwijs weten te concretiseren. In veel van de verhalen van vandaag stond de docent centraal.

De kwaliteit van het onderwijs wordt nog steeds in grote bepaald door de kracht van de docent. Wat overigens niet betekent dat dat onderwijs ook binnen de muren van de school moet plaatsvinden. 70% van de ontwikkeling van vakmanschap wordt gegenereerd in de praktijk, 20% door reflectie en feedback en 10% door kennisoverdracht in de traditionele zin van het woord.

Mijn dag begon met een presentatie van Adrie Michels en Edith Wanschers van het ROC van Twente. In het streven naar het optimaliseren van de kwaliteit van het onderwijs vormt de docent een belangrijke spil. Zelfreflectie van docenten is een groot goed. Maar ook blijkt dat 85% procent van de docenten zichzelf rekent tot de 5% beste docenten. Als docenten naar hun collega’s kijken is de blik kritischer. Het ROC van Twente koos er daarom voor om leerlingen docenten te laten evalueren. Een spannend proces dat een positieve wending lijkt te geven aan de professionele dialoog binnen de instelling. Belangrijke elementen in de zorgvuldige procedure van invoering zijn geweest om de regie bij de docent te leggen, om de methodiek een ontwikkelingsgericht karakter te geven en om  de privacy van de docent te waarborgen.

In een vervolgsessie maakte ik kennis met de publicatie ‘Weet, denk doe’. Vier MBO-instellingen gingen aan de slag met het vraagstuk om versnelling aan te brengen in de professionaliteit / het professionaliseren van hun organisatie of team. Op basis van het 7S-model van Mc Kinsey (strategie, structuur, cultuur, systemen, personeel, managementstijl en competenties kan een organisatie in kaart brengen in waar ze zich bevindt (uitgedrukt in fasen) en welke stappen gezet kunnen worden om te komen tot een versnelling van de professionaliteit. Een doordacht model, dat ik vooral ook zie als een instrument om het gesprek of de dialoog op gang te brengen.

Samen met Georgia Vasilaras van ROC de Leijgraaf verzorgde ik vanuit mijn rol als adviseur bij KPC Groep een bijeenkomst onder de titel ‘Onderzoekenderwijs naar beter onderwijs’. Aan de hand van een voorbeeld van een NRO-onderzoek naar een aanpak voor leesvaardigheid voor BBL-ers lieten we deelnemers kennismaken met de uitgangspunten en de stappen die gezet dienen te worden om te komen tot een gedegen onderzoek. Uit het onderzoek dat bij ROC de Leijgraaf is uitgevoerd, is gebleken dat door deelname aan een onderzoek ook de onderzoekende houding van de docent wordt gestimuleerd. Deze onderzoekende en kritische houding leidt tot leren. Benadrukt moet worden dat de praktijkgerichtheid van het onderzoek altijd centraal staat. De vraag is dus niet ‘of de praktijk ook in theorie werkt, maar of de theorie ook in de praktijk werkt’.

In de laatste sessie die ik meemaakte lieten mijn collega Bart van Kuik en Pieter Vorstenbosch van SintLucas zien hoe binnen SintLucas middels een ‘creative community’ het leren van docenten mogelijk is gemaakt. Geen traditionele trainingsaanpak maar een creatieve werkplaats waar docenten aan de slag gaan met hun eigen leervraag. Die kunnen heel verschillend zijn. Daar waar de ene docent werk ging maken van ‘de 7 principes van een rijke leeromgeving’ (http://www.kpcgroep.nl/7principes ) ging een ander aan de slag met digitale didactische leermiddelen zoals Blendspace, Kahoot en Socrative.

Daar waar voor mij op dag 1 startte met de bedoeling van het onderwijs, de op ontwikkeling gerichte processen zag ik op dag 2 hoe ROC’s en AOC’s er vanuit die bedoeling in slagen om zaken concreet aan te pakken. Het MBO heeft zich in Ulft van haar beste kant laten zien!

Epiloog – Terugblik op de CVI Managementconferentie 2015 #CVImc

Het is alweer verleden tijd, de CVI Managementconferentie 2015.

Ik had eigenlijk nog een blog willen schrijven over de sessie van de MBO-raad over de keuzedelen. Maar eigenlijk heb ik daar op dit moment de puf niet meer voor, Ik heb alleen wat aantekeningen en foto’s op mijn iPhone kunnen maken omdat ik de lading van mijn iPad-batterij wat te optimistisch had ingeschat. Dat betekent dat ik nog heel wat uitwerkwerk heb om daar een mooi verhaal van te maken. Misschien binnenkort alsnog. Het onderwerp is zeker de moeite waard, want er komt met die keuzedelen nogal wat op het MBO af, zoals Martijn Broekhuizen in een andere sessie al besprak. Het zaaltje zat in elk geval afgeladen vol.

Alles bij elkaar was het een goede conferentie. Niet zo heel veel innovatieve dingen voor een conferentie met Innovatief Vakwerk als werktitel, maar toch. Wat er aan innovatieve onderwerpen voorbij kwam, is door Wilfred Rubens beschrijven in zijn blog. Misschien doe ik nu veel mensen te kort, er gebeuren namelijk wel veel nieuwe dingen. Maar nieuw is nog niet innovatief.

Een paar dingen vielen op:

  • Theory U komt in veel presentaties terug (waaronder deze). 
  • Natuurlijk heel veel over professionalisering en dan met name veel LeerKRACHT.
  • Opvallend is de aandacht voor projectmanagement en projectmatig werken. Heel belangrijk natuurlijk, en eerlijk gezegd is het onderwijs daar niet zo heel erg goed in (anders zou je er in een onderwijsconferentie anno 2015 geen presentaties over hoeven te geven). Dus misschien toch goed om er aandacht aan te besteden. 
  • Natuurlijk komen er allerlei presentaties over de nieuwe kwalificatiestructuur voorbij.
  • Slechts enkele voorbeelden van innovatieve onderwijsvormen.
  • Weinig onderwijslogistiek (hoewel dat toch behoorlijk hot is in het MBO momenteel)
  • En (voor zover ik kan overzien) helemaal niets over afstandsleren, e-learning, zelfstandig leren met ICT. Dat verbaast me. 
Verder leuke gesprekken, nieuwe inzichten en inspiratie voor nieuwe blogs of artikelen. Ik ben tevreden!

Innovatief vakwerk #cvimc

Tijdens dag twee van de Managementconferentie van het Consortium voor Innovatie kon je weer kiezen uit tal van sessies. Ik heb met name gekozen voor sessies met een innovatief karakter.

Tijdens de eerste sessie van dag twee van de Managementconferentie gingen ROC RIVOR, ROC De Leijgraaf, MBO Raad en Stichting Praktijkleren in op breed opleiden voor niveau 2 leerlingen. Dit is een aanzienlijke onderwijskundige verandering.

3D PrintingEr waren verschillende aanleidingen voor deze verandering. ROC Rivor merkte onder meer dat er steeds minder kansen op de arbeidsmarkt zijn voor leerlingen in de administratieve richting. Deze leerlingen hebben echter geen belangstelling voor logistiek of handel. Je zou ze daarom via praktijk kennis moeten laten maken met deze branches. Verder vraagt het bedrijfsleven om breder inzetbare leerlingen. Daarom wilde ROC Rivor leerlingen een bredere opleiding aanbieden (combinatie BOL administratief medewerker, verkoper en logistiek medewerker). Daardoor worden opleidingen ook beter betaalbaar (grotere groepen).

In het eerste leerjaar krijgt men generieke vakken zoals Nederlands, burgerschap of rekenen en gaat men stage lopen (BPV). Na dat eerste leerjaar stroomt men door naar BBL opleidingen verkoper of logistiek medewerker, of -na toetsing- BOL Administratie of Secretarieel (niveau 3, leerjaar 1). Een kleine groep kiest voor een tweede, brede, leerjaar. Via  een individueel programma kunnen leerlingen dan het niveau 2 diploma behalen.

De leerlingen lopen dan stages die voor meer richtingen (administratie, handel, logistiek) geaccrediteerd zijn. Er zijn echter niet heel veel bedrijven die aan die eis voldoen.

Successen van deze aanpak zijn een positief oordeel van de inspectie, een hoger rendement (van 58% bij smal examineren naar 74% bij breed examineren) en een student-tevredenheid van 6,9 (een lichte verbetering).

Je moet echter veel aandacht besteden aan studieloopbaanbegeleiding en loopbaanoriëntatie. Ook kun je het beste enkele kerndocenten inzetten die veel vakken kunnen verzorgen. Daarnaast moet je leerlingen niet te lang alle richtingen aanbieden. Een uitdaging was ook het aantoonbaar vastleggen van de verhouding van het onderwijsprogramma van de brede opleiding tot een smalle of BBL-variant.

Een effect van deze verandering is dat leerlingen minder naar administratieve opleidingen doorstromen, waar minder werk in te vinden is. De vraag is wel wat de impact is van meer aandacht aan loopbaanoriëntatie binnen het VMBO. Leidt dit er bijvoorbeeld toe dat leerlingen bij de aanmelding al in mindere mate kiezen voor de minder kansrijke administratieve richting?

Nieuwe kwalificatiedossiers bieden volgens de MBO Raad ook meer mogelijkheden om bredere opleidingen te gaan verzorgen. Negen profielen blijken een behoorlijke mate van verwantschap te hebben. Daarbij gaat het om 12 verwante werkprocessen, die wel binnen een verschillende context moeten worden toegepast. Voorbeelden zijn klantcontact, voorraad, post en logistiek of veiligheid (in de zin van veilig werken). De vraag is alleen hoe je die verschillende contexten organiseert. Leerlingen willen ook weten voor welk beroep zij worden opgeleid. Volgens ROC Rivor is het daarom belangrijk dat je verwachtingen goed managet.

Een knelpunt is overigens het ontbreken van een breed beroepscompetentieprofiel.

Vervolgens heb ik een presentatie bijgewoond van ‘friskijker’ en hoogleraar Henk Volberda (Erasmus Universiteit) over ‘sociale innovatie’. Bij innovatie denkt hij aan het rode koningin-effect van Assepoester: hardlopen en toch niet vooruit komen. Er zijn veel ideeën over hoe het anders kan, maar het is heel lastig om dat te implementeren. We hebben daarbij te maken met veel management hypes. Organisaties veranderen, maar komen zelden vooruit.

Volberda spreekt van de innovatieparadox. Op korte termijn ligt de nadruk op efficiency, terwijl dat vaak haaks staat op innovatie. Vier op de vijf bedrijven kiest nog steeds voor kostenbesparingen. In Nederland realiseren we steeds minder incrementele en radicale innovaties. Hoe kan dat?

Dat komt volgens Volberda omdat we het Angelsaksische denken hebben omarmt, waarbij de shareholders oriëntatie en de korte termijn-focus domineert. Financiële prikkels worden gebruikt om mensen te motiveren. Ten opzichte van andere landen zoals Singapore, Finland en Zwitserland doet Nederland het slechter op het gebied van innovatie. Nederland is slecht in het benutten van kennis. We waarderen nieuwe technologieën laag. Verder is een tekort aan beschikbare kenniswerkers. Er wordt vooral gekeken naar kostenreductie en niet naar het vergroten van opbrengsten.

Nederland is echter een innovatiegedreven economie, en moet het hebben van het vergroten van opbrengsten. Opkomende economieën als China en India hebben een achterstand ten opzichte van Nederland, maar zijn bezig met een inhaalslag. Steeds meer kennisintensieve activiteiten als productontwikkeling en IT worden verplaatst naar landen als China maar ook naar Oost-Europa. Het maken van producten wordt veel minder uitbesteed.

Dat zijn volgens Volberda zorgelijke ontwikkelingen. Wat te doen?

Hij pleit er voor om van een poldermodel naar een Deltamodel gaan. Dit model kenmerkt zich door:

  • Kennis moet weer gaan stromen
  • Kenniseconomie met een hoge toegevoegde waarde (o.a. MBO-ers met skills en vaardigheden)
  • Horizontaal management (platte organisaties)
  • Flexibele organisatievormen
  • Kenniswerkers

Vervolgens is Henk Volberda nader ingegaan op deze kenmerken.

Nieuwe kenniscreatie start vaak bij technologische inventies, bij R&D. Via sociale innovatie (management, organisatie en arbeid) moet je dan zorgen voor het herkennen, verwerven, integreren en toepassen van kennis. 75% van je innovatiesucces wordt bepaald door leiderschap en organisatie. Nederland heeft in 2014 echter minder geïnvesteerd in sociale innovatie.

Investeringen in R&D en sociale innovatie leiden vaak tot een viervoudiging van je omzet. Bij DSM is dat bijvoorbeeld gebeurd door operators op te leiden, te laten werken in zelforganiserende teams en door managementniveaus uit de fabriek te verwijderen. In het begin leidde dat tot chaos, maar na 2 jaar tot een groot succes. Met sociale innovatie kunnen we beter presteren dan landen als China. Bedrijven die investeren in R&D en in nieuwe manieren van managen en organiseren zullen met ongeveer 8% groeien. Nieuwe technologieën alleen leiden tot uitstoot van arbeid.

Innovatieve organisaties hebben veel kennis, organiseren het werk flexibel, werken slimmer (co-creatie met andere organisaties) en managen slimmer. Er is dan geen sprake van ‘overmanagede’ organisaties.

Volgens Volberda is dit perspectief ook relevant voor onderwijsorganisaties, zoals MBO-instellingen. Je moet dan bijvoorbeeld ook meten of 30% van je opleidingen als MBO-instelling nieuw zijn. Je moet ook niet alleen aanbieden wat mensen vragen. Mensen weten vaak niet wat ze willen. Creëer verder vooral ‘lummeltijd’ (het Genius hour is daar een voorbeeld van).

Als je als MBO-instelling wilt innoveren, moet je niet eerst luisteren naar de klant. Als je heel goed luistert naar klanten, ben je vaak te traag met vernieuwen. Je moet meer passie hebben voor exploratie. Je moet routines afleren, en na denken over radicale innovaties om een perspectief over tien jaar te bereiken. Het risico is echter dat je in een vernieuwingsvalkuil terecht komt. Je moet namelijk ook oog hebben voor exploitatie.

Een andere belangrijke voorwaarde voor succes van innovaties is dynamisch management. Dynamische managers hebben een bepaalde kennisbasis, maar ook oppervlakkige kennis van aanpalende terreinen. Zij durven veel te experimenteren en leren daarvan. Ook houden zij zich bezig met hoger-orde leren. Je hebt cross-functioneel management nodig, waarbij samenwerking tussen teams plaatsvindt en teams worden beloond in plaats van individueel. Ook cross-cultureel management is noodzakelijk, waarbij intrinsieke beloningen leidend zijn.

Innovatieve organisaties investeren ook in vakmanschap en professionele autonomie van medewerkers. Medewerkers zijn geen productiemedewerkers, of informatiemedewerkers, maar  kenniswerkers die veel op de werkplek leren n expliciete en impliciete kennis gebruiken in hun werk. Innovatieve organisaties gaan uit van een postmodern arbeidsperspectief waarin mensen opereren als intelligente actoren die zelf het initiatief nemen voor de inrichting van hun werk. De professional is multiskilled en werkt in netwerken.

Dat betekent dat je moet investeren in mensen, in platte organisatievormen, in co-creatie, in vernieuwend leiderschap en in R&D. Sociale innovatie is al met al een veelomvattend en ingewikkeld proces.

Na de uitvoerige lunch heb ik een sessie bijgewoond van ROC West-Brabant over de invoering van 3D-printing. We startten met voorkennisvragen via Kahoot. Je kunt thuis bijvoorbeeld sieraden  ontwerpen en via de HEMA laten printen. Je hebt ook al waterdichte en vormbare 3D bikini’s. Ook zijn er printers die vitamines of cement kunnen printen.
Leerlingen moeten als gevolg van 3D printing ook anders leren denken, digitaal gaan ontwerpen, materiaalkennis beheersen en andere vaardigheden leren (eigenschappen van printers toepassen, efficiënt materiaal gebruiken, grondstoffen berekenen).

De grenzen van industrieën en disciplines vervagen bij 3D printing. Ontwerpers van kleding werken bijvoorbeeld samen met architecten, hetgeen leidt tot hele andere ontwerpen en technieken die worden gehanteerd bij het ontwerpen. Ook wordt sensortechnologie bijvoorbeeld geïntegreerd in kleding.  Dat betekent dat kledingontwerpers meer moeten samenwerken met technici. Volgens de sprekers zullen praktische alle beroepen te maken krijgen met 3D printing. Logistiek krijgt bijvoorbeeld te maken met 3D printing omdat we veel minder goederen hoeven te transporteren omdat deze ter plekke worden gemaakt. De Cas Spijkers Academie heeft bijvoorbeeld al een menu gemaakt via 3D-printing (met stikstof).

Toen ROC West-Brabant startte met 3D-printing moesten collega’s zelf op een Fablab een 3D printer bouwen. Verder leerden zij de printer gebruiken, en gingen de docenten bepaalde disciplines (zoals een beeldhouwer) die 3D printing toepassen, bezoeken. Helaas bleken printers op veel plekken na verloop van tijd niet gebruikt te worden.

Daarom is een project gestart, 3DeDucation, om 3D printing te implementeren. Docenten gaven onder meer aan over onvoldoende expertise te beschikken (technisch en onderwijsinhoudelijk). Daarnaast probeert men docenten vooral te motiveren. Voor technische problemen zijn met Fablabs servicecontracten afgesloten om deze problemen te verhelpen. Deze rol zal op termijn vervuld worden door leerlingen mechatronica. Bij dit ROC reserveren ze ook vier middagen per jaar voor professionalisering op dit terrein. Er zal ook een website gemaakt worden met lessugesties. Basis 3D lesmateriaal is inmiddels ook gereed.

Verder vertelden de docenten dat 3D printers steeds krachtiger en gebruikersvriendelijker worden.

De laatste sessie van ROC Ter Aa en Malmberg ging over de relatie tussen gepersonaliseerd leren en slagingskansen op het gebied van rekenen. Malmberg gebruikt eigenlijk de term realistisch gedifferentieerd leren. Zij gebruiken ICT vooral om te differentiëren. Leren moet volgens hen persoonlijk zijn, met eigen leerdoelen. Je hebt je eigen leerroute volgen en gemotiveerd blijven om te leren. Zij maken ook een onderscheid tussen persoonlijk leren en individueel leren. Verder  stellen zij dat het juist belangrijk is dat je leert van en met een docent. De docent is regisseur. De leerroute is redelijk statisch waarbij leerroutes op basis van persoonlijke toetsresultaten worden samengesteld.

Als lerenden kun je zien wat je hebt gedaan, hoe goed je het hebt gedaan en wat je nog moet. Interventies vinden handmatig door de docent plaats, op basis van handmatig geregistreerde voortgang. Toetsen spelen daarbij een hele belangrijke rol. Basisvaardigheden, deelvaardigheden en afsluitende kernopgaven op examenniveau vormen belangrijke elementen van de didactiek.

Volgens de docent van ROC Ter Aa hebben leerlingen geen idee van rekenen in de alledaagse situaties. Zij kunnen zich bijvoorbeeld vaak geen voorstelling van bepaalde maten. Leerlingen maken bijvoorbeeld veel fouten bij de vraag hoeveel mensen maximaal terecht kunnen op 965 vierkante meter als je 1,5 persoon op 1 vierkante meter kunnen. Het programma van Malmberg geeft hints bij fouten, maar geen uitgebreide feedback op basis van de gegeven antwoorden. De docent gebruikt de resultaten voor het geven feedback.

Daar komt bij dat de niveauverschillen van eerstejaars studenten erg groot zijn op het gebied van rekenkennis en rekenvaardigheden. Traditioneel klassikaal lesgeven past daar volgens hem niet goed bij. En omdat een leerling vooral moet leren wat hij nog niet weet. De docent bepaalt de niveaus via Rekenblokken. Vervolgens maken lerenden instaptoetsen per onderwerp. Daarna leren en oefenen studenten met onderwerpen, waarna eindtoetsing plaats vindt. Leren en oefenen kan plaats vinden via een automatische leerroute. De docent kan ook handmatig leerroutes samenstellen. Specifieke opdrachten worden afgesloten met een specifieke oefentoets waarop lerenden minimaal een score van 75% moeten halen. Die norm is gelieerd aan landelijke normen.

De resultaten van deze aanpak, in combinatie met professionalisering van docenten en een goede organisatie van het rekenonderwijs, leiden tot hoge slaagkansen. Wat me wel opviel is dat Rekenblokken beperkte feedback geeft en betrekkelijk weinig rapportagemogelijkheden had. Wat dat betreft had ik een groter innovatief karakter verwacht.

Checklist invoering nieuwe kwalificatiedossiers mbt examinering

Gisteren werd tijdens de workshop waarover ik eerder blogde een checklist  uitgedeeld. Deze checklist is een belangrijk hulpmiddel bij het ROCvA. De checklist helpt om de vertaalslag te maken van nieuw kwalificatiedossier naar examenplan.

De rubrieken die een rol spelen (de wat-vraag) zijn de volgende:

Ontwerpkaders in kaart brengen:
Wat zijn de uitgangspunten voor invoering van de nieuwe KD’s?
Examenplan:
     Bepaal per exameneenheid wat geëxamineerd wordt
     Bepaal de plaats van de afname van het examen: bedrijf, school of exameninstelling?
     Bepaal de volgorde van de exameneenheden
     Bepaal het moment waarop het examen plaatsvindt
     Bepaal de weging en cesuur voor de verschillende exameneenheden
     Bepaal de beslisregels op basis waarvan een student een diploma krijgt.
Exameninstrument:
Bepaal  welke examens er moeten worden ingekocht/geconstrueerd.
Examenafname:
Heeft de nieuwe examinering gevolgen voor eventuele afname in de BPV? Wat wordt er van de BPV bedrijven verwacht?
Curriculum ontwerpen: Bepaal de inhoud van de opleiding per fase op basis van het examenplan.
Check: zijn onderwijs en examenplan in lijn met ontwerpkaders en maak indien nodig aanpassingen

Zie deze link voor een pdf- en word-versie van de checklist

Hybride leeromgeving SSC Scalda

Bij Scalda IT opleidingen draait een Shared Service Center.

Het idee is dat :

  • Studenten groeien in hun motivatie
  • Docenten groeien in hun nieuwe rol
  • Bedrijfsleven participeert als expert
  • Ondernemerschap aandacht krijgt
  • Het moet veel dynamischer worden
Men wilde graag van theoretisch projecten naar echte projecten, die aansluiten bij de leervraag.
Men wilde roosters die ruimte geven voor een eigen invulling.
De praktijk moest de school in, ze zijn aan de slag gegaan met echte opdrachten.
Docenten hebben daar op basis van hun visie een kader voor neergezet.
  • Er moet altijd een opdrachtgever zijn.
  • Er moet een expert zijn, dat is vaak het bedrijfsleven.
  • De docent wordt coach en bewaakt het proces.
  • In dit zgn magische vierkant heeft de student natuurlijk ook een rol
Dat is georganiseerd samen met het bedrijfsleven, onder de noemer samen leren en meesterschap.
Daarnaast is het Facilitair bedrijf van Scalda er bij betrokken, naast de hoge school.
Het bedrijfsleven was al georganiseerd op IT gebied in de ZVIO, daarmee relatief makkelijk te betrekken.
Deze activiteiten kunnen alleen als er niet te grote commerciele belangen zijn
Voor het bedrijfsleven ontstaat inbreng in het onderwijs, de school weet wat nodig is voor de betreffende beroepen op basis van de vraag van vandaag. Voor beide partijen dus vooral voordelen. 
Om de zaken op logistiek vlak op te pakken is gebruikt gemaakt van:
  • Een open rooster
  • Een Outlook agenda werd leidend
  • Een groeps what’s App (vervangt de mail)
  • Een gezamenlijke jaarplanning (is een must)
  • Een presentie registratie heeft vorm gekregen
Daarmee is het Shared Service Center een volwassen Leerbedrijf geworden. Weet het bedrijfsleven wat ze van de school mogen verwachten en wordt de school gevoed met de laatste stand der techniek en bijbehorende vraag.

Samen innoveren, levert meer kans op succes

Marc Lammers, voormalig Hockeybondscoach spreekt op uitnodiging van HPBO. Marc is een vlotte, soms wat hijgerige spreker. Hij zet je wel aan het denken. Als coach en begeleider van sporters zijn er veel overeenkomsten te vinden met onderwijs.

Sprekende voorbeelden:

  • De wedstrijden in China onder moeilijke omstandigheden: je concurreert niet met een ‘crisis’, maar met de ander, die dezelfde moeilijke omstandigheden heeft. Een crisis biedt kansen, omdat je ze beter het hoofd kunt bieden dan je concurrent.
  • Kijken bij andere sporten: Ankie Grunsven koelt haar paarden af na training, zodat de lichaamstemperatuur sneller daalt en ze eerder klaar zijn voor nieuwe wedstrijden. Marc past dat toe bij wedstrijden in warme landen. Hij liep daarbij wel tegen weerstand op. “Waarom veranderen? Dat werkt toch niet?
  • Er kan geen innovatie zijn zonder opstartproblemen en kinderziektes. Het afkoelen na wedstrijden bleek afhankelijk te zijn van je lichaamsgewicht. De tijd voor afkoeling moest maatwerk worden. Daar kom je pas achter na een experimentele fase.
  • Andere teams die het overnamen: Kopiëren van aanpak zonder goed te weten wat je precies doet werkt averechts. Wat dan een bevestiging is van het vermoeden dat ‘het toch niet werkt’.
  • Durf fouten te maken!
  • Marc meet de kwaliteit van de slaap en past training van die dag er op aan. De onderliggende boodschap is natuurlijk dat je je student goed in de gaten houdt en je onderwijs er aan aanpast. 
  • Als coach had hij zelf ook begeleiding nodig. Wie coacht de coach? Heb je zelf iemand waarmee je kunt spiegelen? Na aanleiding hiervan ging hij ook het gesprek met zijn speelsters aan. Uit zijn team zelf kwam naar voren dat commitment, focus, fitness en uitstraling ontzettend belangrijk zijn. 
  • In eerste instantie trainde hij vooral op zwakke punten. Terwijl het vaak moeilijker is om een zwak punt iets te verbeteren dan een sterk punt goed aan te wenden. 

Marc zijn aanmoediging: innoveren doe je niet alleen, werk samen voor verandering!

ICT bekwaamheid bij ROC Mondriaan

De 1e presentatie in de ochtend die ik volgde was van ROC Mondriaan en ging over de manier waarop daar de ict-bekwaamheid van de medewerkers werd vergroot. Meteen werd de kanttekening gezet dat ict-bekwaamheid geen fijne term was en dat men liever sprak over onderwijs met gebruik van moderne middelen.

Als opwarmer werd de deelnemers gevraagd in todaysmeet te reageren op de vraag: Wanneer ben je een ict-bekwame school. De antwoorden liepen van de voorwaarden die op orde moeten zijn tot een ict-bekwame school ben je pas als je ict-bekwame studenten aflevert. ICT-bekwaam ben je in mijn ogen als je als professional weloverwogen keuzes kan maken in wat je wel en niet doet met ict/moderne middelen. Daarvoor is professionalisering en het bijblijven van groot belang. Het adaptief vermogen van zowel je medewerkers als studenten is wellicht nog het belangrijkste.

In de presentatie besteedde Mieke van Keulen aandacht aan de recente Kennisnet publicatie over ict-bekwaamheid in het mbo. Daarin worden diverse inzichten, onderzoeken en voorbeelden samengevoegd die de laatste jaren op dit gebied zijn ontstaan en verschenen. Daarnaast zijn er ook publicaties verschenen over het kader ict-bekwaamheid voor docenten en voor managers.

Enkele valkuilen die werden benoemd die bij de professionalisering vertraging kunnen opleveren zijn dat olievlekwerking niet bestaat, dat er niet mag worden getolereerd dat er achterblijvers zijn om medewerkers die zich afzijdig houden en dat er geen borging plaatsvindt van wat er geleerd en gedaan wordt. Ook mag de nadruk niet liggen op de tools, maar moet het pedagogisch-didactisch handelen de basis zijn.

Bij een team van ROC Mondriaan is gestart met het uitdelen van iPads aan de werknemers. Door ermee te gaan werken, ontstonden leervragen en scholingsbehoeftes. Daarom worden nu coaches Digitaal leren ingewerkt die de medewerkers bij hun vragen gaan ondersteunen. Soms op vastgestelde tijdstippen en plekken, maar vaak ook tussendoor aan de koffietafel. De boodschap was: begin gewoon en ga niet eerst allerlei projectplannen schrijven om iets van de grond te krijgen, want dat werkt vertragend en zorgt voor onnodige weerstand. Doordat het CvB een heldere visie op ict in het onderwijs had geformuleerd werden randvoorwaarden opgelost en heeftde dienst ict nu meer contact met de beleidsmakers en onderwijsteams om te kijken wat nodig is.

De trend om ict/media/informatie-coaches (bij ons op het Nova College heetten we digidoc en nu Informatiespecialist Onderwijs) per school/unit/cluster aan te stellen zie ik op veel meer ROC’s vorm krijgen. Een goede ontwikkeling denk ik, die de brug kan slaan tussen onderwijs en ict en di ervoor zorgt dat je beter in kan spelen op de behoeftes van 1 medewerker of team.